… De piramide


Hoe verdelen we de verantwoordelijkheden binnen de WMO?

Zonder dat het zo nadrukkelijk werd voorzien is met de sociale vernieuwing in de ‘90er jaren het eindspel ingezet van de verzorgingsstaat. Iets wat terecht begon om de burgers weer opnieuw de ruimte te geven hun eigen verantwoordelijkheid te nemen is uitgegroeid tot een heel andere kijk op de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en burger.

In de periode beginnend na de 2e wereld oorlog en doorlopend tot ongeveer 1990 is de verzorgingsstaat op de kaart gezet. Gaandeweg is een heel pakket aan wetten en voorzieningen gemaakt waarmee de burgerij werd beschermd tegen bijna elke vorm van maatschappelijke uitval. Naast alle het goede wat hiervan het gevolg was, ontstaat er groeiende ambtelijke organisatie, worden burgers nauwelijks uitgedaagd om zelf te handelen en nemen de kosten voor de schatkist toe.

Daarom is het zaak (verzorgende) regelgeving te beperken tot dat deel wat mensen echt niet zelf kunnen oplossen. De sociale vernieuwing  heeft het nodige in gang gezet zoals een decentrale en ontkokerde overheid en zijn er forse stappen gezet om mensen blijvend bij de samenleving te betrekken. Een deel van deze plannen en regelingen zijn al weer afgeschaft (Melkertbanen, Jeugdwerkgarantieplan, etc.) omdat ze tenslotte niet meer opleverde wat er van was verwacht.

Met de WMO worden de laatste formele stappen gezet.
Wel valt er nog het nodige te sleutelen aan  de ondersteuning vanuit het onderwijs en welzijn van burgers. Ook zij moeten de draai maken van verzorgen naar ondersteunen.

Het bovenstaand model, de piramide van verantwoordelijkheden in de WMO, is daarvoor richtinggevend. Voor een groot deel van de burgers zijn met de onderste twee treden 80% van hun vragen beantwoord. Slechts voor 20% hebben zij professionele hulp nodig. In de kwetsbare (krachtwijken) delen van de stad ligt dat percentage bijna andersom. Daar zal hard gewerkt moeten worden door het stadhuis, het onderwijs en welzijn om burgers te bekwamen in zelfredzaamheid en het activeren van bewonersnetwerken. Enerzijds omdat daarmee voorkomen wordt dat er een tweedeling in de stad/samenleving komt maar ook om te voorkomen dat er nieuwe afhankelijkheden gaan ontstaan geankerd in etniciteit en kerk. Daarmee komt de maatschappelijke deelname van deze kwetsbare groepen niet echt dichterbij.

Al met al dient men zich te realiseren dat dit om een heel andere inzet van (brede) scholen, buurthuizen (van de toekomst), verenigingen en ambtenaren gaat. Dat hiervoor een groot samenhangend plan voor nodig is behoeft geen betoog.